De vooruitgang voor zijn.

Blog

Zoek de juiste grondstof

prof.dr. René ten Bos

Prof.dr. René ten Bos, kerndocent Filosofie in Organisaties

Wat hebben olie- en gaswinning, mijnbouw en de handel in edelmetalen met de hedendaagse voetballerij van doen? Op het eerste gezicht niet veel, maar wie een blik werpt op de websites van sommige investeringsmaatschappijen leert al snel dat de belangstelling voor de ‘klassieke’ grondstoffen van de kapitalistische industrie opvallend vaak gepaard gaat aan een even grote belangstelling voor voetbaltalent. Op zich is dat niet verbazingwekkend.

Het kapitalisme werkt altijd met een simpel tweestappenplan: 1) zorg ervoor dat je grondstoffen krijgt; 2) bewerk die grondstoffen zodanig dat ze omgezet worden in het ijle en vreemdsoortige eindmateriaal dat we aanduiden met het woord ‘kapitaal’. Weliswaar begint niets zonder de eerste stap, maar alle aandacht komt op een gegeven ogenblik onvermijdelijk te liggen bij de tweede stap. Die eenzijdige focus is al sinds jaar en dag een bron van ethische zorg. Er is in dit plan geen enkele intrinsieke waardering voor de grondstof. Het enige waar het om draait is de vraag of de grondstof ‘kapitaal’ kan worden.

De Engelse vertaling van ons woord ‘grondstof’ is ‘raw material’. Hoewel de uitdrukking ‘ruw materiaal’ in onze taal af en toe voorkomt, heeft het Engelse ‘raw’ toch een andere betekeniskleur. Het staat voor ‘rauw’, ‘ongekookt’, ‘iets wat nog bewerkt moet worden’, ‘onuitgewerkt’, ‘groen’, ‘onervaren’ of ‘ongetraind’. ‘Raw’ staat dus voor potentie. Het probleem met het tweestappenplan laat zich nu herformuleren: we zijn onverschillig ten opzichte van potentie. We waarderen haar slechts als ze daadwerkelijk geactualiseerd wordt in iets anders, in kapitaal. Dat geldt voor olie, gas en edelmetalen. Het geldt ook voor cocabladeren en jonge meisjes in de internationale sekshandel. Bij deze laatste twee voorbeelden worden we enigszins ongerust, maar het onderliggende principe is hetzelfde. Laten we spreken van een ‘onverschilligheidsprincipe’.

Begin deze maand werd bekend dat de voetballer Quincy Promes van FC Twente naar Spartak Moskou verhuist. Niets bijzonders, zou je zo zeggen. Een club als FC Twente is het wel gewend dat aankomende sterren vertrekken. Toch zijn supporters van de club verbolgener dan ooit. Promes sprak een paar maanden geleden teksten die bijna iedereen verstandig en ook uniek vond.

Hij wilde niet weg bij de club, het ‘gevoel’ was goed, hij moest nog veel leren. Supporters die nu boos zijn op Promes begrijpen niet goed dat hun held niets meer is dan een grondstof die een investeringsmaatschappij met de naam Doyen zich heeft toegeëigend. Natuurlijk zal FC Twente ontkennen dat het onmondig is bij transferbeslissingen, maar een flink aantal van zijn spelers staat prominent geëtaleerd op de website van Doyen. Op die website zie je verder niets over de mannen die aan het roer staan bij deze investeringsmaatschappij. Wie wat verder graaft, komt namen tegen als Claudio Tonella, Jorge Mendes of Timucin Kaan, allemaal mensen waarvan je meteen vermoedt dat ze veel gevoel hebben bij een voetballer als Promes.

Doyen is een Maltees bedrijf en heeft zijn hoofdkwartier in Londen, toevallig net om de hoek bij Roman Abramovich, die ook al bekend staat om zijn liefde voor de sport.

Joop Munsterman, de voorzitter van FC Twente, zegt maatschappelijke verantwoordelijkheid te omarmen. Met zijn spelers speelt hij echter een vrij louche spel, waaruit het tegendeel blijkt. Promes is niets anders dan grondstof, die gebruikt wordt om gaten in de begroting van de club te dichten. Banken zijn na de crisis weifelachtig om in zee te gaan met voetbalclubs. Clubs met ambities kunnen daarom niet anders dan zaken doen met schimmige investeringsmaatschappijen. Dat geven ze zelf toe. De prijs die ze ervoor betalen is dat ze zeggenschap over hun bedrijf en personeel kwijtraken. Maar voetballers worden tegenwoordig niet gezien als ‘personeel’ of ‘human resource’: ze zijn grondstof.

Het zal niet lang duren of de investeringsmaatschappijen gaan bepalen welke spelers bij welke clubs terechtkomen. Een praktijk die we bijvoorbeeld in de Amerikaanse basketbalcompetentie al lang kennen. Als clubs daar te sterk zijn moeten hun spelers naar andere, minder goede clubs zodat de concurrentie weer groter is en de competitie weer spannender wordt. Zo ver is het in het voetbal nog niet, maar het idee is en blijft simpel: zoek de juiste grondstof en de (kijk)cijfers zullen omhoogschieten. Met clubliefde of respect voor spelers en supporters heeft het niets van doen.

Deze column is gepubliceerd in het Financieel Dagblad, 11 augustus 2014

Op de hoogte gehouden worden?

Elke maand sturen we nieuw gepubliceerde kennisartikelen, houden we je op de hoogte van nieuwe opleidingen en geven we af en toe korting op evenementen.