5 vragen aan alumnus Boudewijn Steur, leergang Strategisch Programmamanagement
- Strategie en Bestuur
- 19 april 2021
Programmadirecteur ‘Strategie en Kennis Covid-19’ bij het DG Samenleving en Covid-19 van de Rijksoverheid, Boudewijn Steur heeft deze dagen aan reuring geen gebrek: hij is – met veel anderen – bezig met het bestrijden van de gevolgen van de coronacrisis. Sinds mei vorig jaar is hij gedetacheerd bij het Programma DG Samenleving en Covid-19. Vanuit die rol denkt hij na over het herstel van Nederland. De kennis en vaardigheden die hij geleerd heeft tijdens het volgen van de leergang Strategisch Programmamanagement komen daarbij goed van pas.
1. Wat zijn naar jouw idee belangrijke vaardigheden om programmamanagement op strategisch niveau vorm te kunnen geven?
“Voordat ik de opleiding deed, was ik al programmamanager. Dat ging goed, maar ik kende nog niet de theorie die er achter dat vak zit.” Lachend: “het spreekwoord over klokken en klepels was van toepassing op hoe ik mijn werk toen aanpakte. De opleiding heeft me geleerd om vanuit de theorie het beschikbare instrumentarium voor programmanagement veel bewuster in te zetten. Als programmamanager moet je in staat zijn om zonder functionele machtsbasis partijen tot elkaar te brengen. Regie voeren zonder macht, om het mooi te zeggen. Dat is zowel uitdagend als moeilijk. Ga er maar aanstaan om mensen zover te krijgen dat ze de dingen doen die jij hebt uitgedacht. Daar heb je overtuigingskracht voor nodig, een goede inhoudelijke onderbouwing en zeker ook charisma. Charisma is vooral aangeboren, maar je kunt het ook een beetje leren.”
2. Hoe heeft de leergang van AOG School of Management je geholpen?
“Het heeft me echt enorm geholpen om een theoretisch kader te krijgen. Ik leerde dat er verschillende stromingen in project- en programmamanagement zijn met bijpassende instrumenten over alle fasen van een project heen. Ieder heeft zijn eigen stijl. Je hebt, wat ik noem, ‘blauwe mensen’, die puur uitgaan van planning en control, maar ook meer ‘gele of groene mensen’, die vooral voor verbinding en creativiteit gaan. Ik ben meer van de geelgroene school, maar heb veel respect voor andere stijlen. Een belangrijk inzicht is ook dat je niet overal goed in hoeft te zijn. Ieder heeft z’n eigen talent en daar kun je een beetje mee spelen. Uiteindelijk gaat het om het definiëren van gemeenschappelijk belang.”